Obstructieve afwijkingen van de glandulae parotidea en submandibularis uiten zich klinisch vaak als een maaltijd-gerelateerde zwelling van de aangedane speekselklier, het zogenoemde ‘mealtime syndrome’. Obstructie van een uitvoergang van de speekselklier wordt vaak veroorzaakt door een speekselsteen, een vernauwing of een slijmprop. De mogelijkheden om dergelijke obstructies weg te nemen, zijn door de komst van de sialendoscopie zonder meer toegenomen. Chirurgische verwijdering van de speekselklier is hierdoor in veel gevallen niet meer nodig.
De ervaringen vanuit Friesland van de afgelopen 15 jaar met minimaal invasieve technieken bij de diagnostiek en behandeling van verstopte speekselklieren worden in deze voordracht aan de hand van talloze casuïstiek gedeeld. Het motto “niet omdat het anders moet, maar omdat het anders kan” staat in deze voordracht centraal.
Dr. Erik van der Meij
Kaakchirurg, hoofd-halsoncoloog, Frisius MC Leeuwarden
J.M. van der Sleen1-2, L. Dubois1, H.C.M. Donders2, J. de Lange1-2
1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Amsterdam UMC, Amsterdam
2 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Isala, Zwolle
Introductie en doelstelling
Onderzoek naar het effect van chloorhexidine gebruik op de postoperatieve napijn na verwijdering van de derde molaar in de onderkaak.
Materiaal en methoden
In deze prospectieve, gerandomiseerde gecontroleerde studie evalueerden we patiënten na verwijdering van derde molaren in de onderkaak. Deelnemers werden willekeurig toegewezen aan een postoperatief regime van spoelen met chloorhexidine of niet spoelen. Postoperatieve pijn, de primaire uitkomstmaat, werd de eerste zeven dagen na de operatie gecontroleerd.
Resultaten
De gemiddelde NRS-pijnscore (SD) was 3,98 (2,38). De postoperatieve pijn was het hevigst in de botverwijderingsgroep, met het hoogste gemiddelde (SD) van 4,46 (2,39). Dit was een significant verschil (p=0,05). Er was geen significant verschil tussen de twee onderzoeksgroepen.
Conclusie
De bevindingen van onze huidige studie geven aan dat postoperatief gebruik van chloorhexidine de pijn niet vermindert. Alveotomie geeft verhoogde postoperatieve pijn, wat consistent is met de bestaande literatuur.
Literatuur
Max Johannes Dullaart1, Maarten Jan Antony van Alphen1, Annelieke Boudina Schoen2, Margje Bertine Buitenhuis3, Loes Margaretha Marie Braun4, Menno Krap1,5, Michiel Wilhelmus Maria van den Brekel1,6, Luc Hendricus Elizabeth Karssemakers1,7, Richard Dirven1
1 Department of Head and Neck Oncology and Surgery, Netherlands Cancer Institute, Amsterdam, The Netherlands
2 University Medical Center Utrecht, Utrecht, The Netherlands
3 Mobius 3D Technologies, Nieuw-Vennep, The Netherlands
4 Department of Radiology, Netherlands Cancer Institute, Amsterdam, The Netherlands
5 Foundation of Special Dental Care, Amsterdam, The Netherlands
6 Amsterdam Center for Language and Communication, University of Amsterdam, Amsterdam, The Netherlands
7 Academic Center for Dentistry Amsterdam, Amsterdam, The Netherlands
Introductie en doelstelling
To increase the number of patients who can speak hands-free after total laryngectomy, we aim to assess the viability of the manubrium sterni bone (MSB) for bone implantation.
Materiaal en methode
This retrospective cross-sectional study was conducted at the Department of Head and Neck Surgery, of the Netherlands Cancer Institute in Amsterdam, the Netherlands, and approved by its Institutional Review Board. We included CT-scans of 25 males and 24 females aged 53 to 88 years, and measured MSB morphometry and density, soft tissue thickness (STT) and bone surface slope, and classified the MSB. Heat maps were created to identify potential implant locations.
Resultaten
Median MSB height was 50.7 (95% CI [49.4-53.4]) mm, and mean thickness ranged from 8.7 [8.3-9.2] to 13.1 [12.7-13.6] mm. Mean width ranged from 53.2 [51.1-55.4] to 57.1 [55.3-59.1] mm. Significantly greater values of thickness and width were found in males. Body height had a significant positive effect on thickness and width measured at the thickest level. Median STT was 14.4 [12.7-17.4] mm, on which BMI had a significant positive effect. Trapezoid was the most common shape. Mean densities were 325 and 60 HU for cortical and cancellous bone, respectively, and cancellous density was significantly higher in males. As such, the MSB is most similar to the posterior maxilla with regard to implantation.
Conclusie
In theory, the MSB is able to support a combination of three to four 6-mm implants, or of one 6-mm to 8-mm and two 10-mm implants, placed in a linear, triangular or diamond-shape arrangement.
Referenties
1. Vatzia K, Fanariotis M, Makridis KG et al (2021) Frequency of sternal variations and anomalies in living individuals evaluated by MDCT. Eur J Radiol 142:109828.
2. Norton MR, Gamble C (2001) Bone classification: an objective scale of bone density using the computerized tomography scan. Clin Oral Implants Res 12:79–84
3. Free J, Eggermont F, Derikx L et al (2018) The effect of different CT scanners, scan parameters and scanning setup on Hounsfield units and calibrated bone density: a phantom study. Biomed Phys Eng Express 4:055013.
Funding
This collaboration project was co-funded by PPP Allowance awarded by Health~Holland, Top Sector Life Sciences & Health (funding no. LSHM22016_H013), to stimulate public-private partnerships.
L.J. BEUMER, A. VISSINK, B. GAREB, F.K.L. SPIJKERVET, K. DELLI, E.H. VAN DER MEIJ
Afdelingen Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Frisius MC, Leeuwarden, UMC Groningen, Groningen, Amsterdam UMC locatie Vrije Universiteit, Amsterdam, en ACTA, Amsterdam
Introductie en doelstelling
Obstructieve speekselklieraandoeningen kunnen steeds vaker sialendoscopisch behandeld worden. De afgelopen jaren zijn meerdere nieuwe technieken ontwikkeld en is er veel gepubliceerd over de effectiviteit van deze minimaal-invasieve behandelingen. Echter, een overzicht van de effectiviteit ontbreekt in de literatuur. Het doel van deze studie was daarom het bepalen van het succes en de veiligheid van sialendoscopische behandeling van obstructieve aandoeningen van de grote speekselklieren. Bevestigt deze studie dat less is more?
Materiaal en methoden
Er werd een systematische review en meta-analyse uitgevoerd, met het succespercentage van sialendoscopie als primaire uitkomstmaat. Secundaire uitkomsten waren toepassing van devices (zoals basket, forceps etc), het aantal sialoadenectomieën en complicaties. Vier databases werden doorzocht en het risico op bias beoordeeld. Vervolgens werd een meta-analyse uitgevoerd, inclusief subgroepanalyses.
Resultaten
In totaal werden 91 studies geïncludeerd, met 8.218 patiënten die gezamenlijk 9.043 sialendoscopische procedures ondergingen. Het merendeel van de studies had een matig tot hoog risico op bias. Het aantal chirurgisch verwijderde speekselklieren varieerde van 0 tot 14% en er werden geen majeure complicaties gerapporteerd. De meta-analyse liet een gepoold succespercentage van 80,9% zien. Subgroepanalyses toonden succespercentages bij sialolithiasis (89,6%) en stenosen (56,3%), in de glandula submandibularis (88,3%), in de glandula parotidea (81,2%), bij endoscopisch geassisteerde transorale verwijdering van een sialolith (86,3%), bij combined approach van de parotis (78,2%), in patiënten met juveniele recidiverende parotitis (67,0%) en in patiënten met radioactief jodium geïnduceerde sialoadenitis (45,8%).
Conclusie
Sialendoscopie is een effectieve en veilige behandeling van obstructieve aandoeningen in de grote speekselklieren: less is more!
R.S.A. TEN BRINK1,2, B.J. MEREMA1,2, M.E. DEN OTTER², W.A. VAN VELDHUIZEN2, M.J.H. WITJES1,2,
J. KRAEIMA1,2
¹ Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, UMC Groningen, Groningen
² 3D Lab, UMC Groningen, Groningen
Introductie en doelstelling
3D virtuele chirurgische planning bij hoofd-halsoncologie vereist botmodellen uit CT en tumorsegmentaties uit MRI. Dit multimodale benadering leidt tot registratie-onnauwkeurigheden, verhoogde stralingsbelasting en toegenomen scantijd voor zowel patiënt als ziekenhuis. Een workflow met één modaliteit is daarom wenselijk. Eerder onderzoek focuste zich op de blackbone MRI sequentie, maar dit zorgt voor een langer MRI-protocol en heeft handmatige aanpassingen nodig. Dit onderzoek had tot doel een deep learning-model te ontwikkelen voor directe botsegmentatie uit routinematige T1 MRI, om een MRI-only workflow mogelijk te maken.
Materiaal en methoden
Honderd patiënten met gepaarde CT- en MRI-scans werden retrospectief geïncludeerd. Handmatige segmentaties van mandibula, cranium en nervus alveolaris werden op CT gemaakt. MRI-scans werden herschaald naar de voxelgrootte van CT. Hierna werden de CT-segmentaties bot-voor-bot rigide geregistreerd en gebruikt als trainingslabels. Het neurale netwerk werd getraind op 80 casussen en gevalideerd op 20. Evaluatie werd gedaan met Dice-coëfficiënt, Intersection over Union, precisie en recall. Daarnaast werd oppervlakte-afwijking tussen CT- en MRI-gebaseerde modellen bepaald.
Resultaten
Het model behaalde een gemiddelde Dice van 0,86 (SD ±0,03), IoU 0,76 (SD ±0,05), en zowel precisie als recall van 0,86 (SD ±0,05). De oppervlakteafwijking bedroeg 0,21 mm (IQR 0,05) voor de mandibula en 0,30 mm (IQR 0,05) voor het cranium.
Conclusie
Een deep learning model, getraind op geregistreerde 3D CT reconstructies als training labels, kan nauwkeurig de mandibula en het cranium op routinematige T1 MRI-scans segmenteren. Een MRI-only virtuele chirurgische planning is hiermee haalbaar en kan door minder afhankelijk van CT te zijn, zorgen voor minder stralingsbelasting en logistieke complexiteit verkleinen.
MAX WITJES, LI HAN YANG, SEBASTIAAN DE VISSCHER, KOOS BOEVE, KEES PIETER SCHEPMAN, BRAM MEREMA, JOEP KRAEIMA
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie & 3D lab, UMC Groningen, Groningen
Introductie
Patiënten die tussen 2014 en 2024 een segmentale onderkaakresectie ondergingen vanwege een tumor, werden geïncludeerd in deze studie. Doelen waren: 1) of in-huis 3D-geplande operaties binnen de NWHHT-richtlijn van 30 dagen mogelijk zijn, 2) de nauwkeurigheid van 3D-planning, en 3) verschillen in complicaties tussen 3D- en conventionele reconstructieplaten.
Materiaal en methoden
Preoperatieve MRI/CT werden gefuseerd voor 3D-planning van resectie en reconstructie, welke voornamelijk met fibulabot werden uitgevoerd. Zowel 3D- als conventionele reconplaten werden gebruikt. Postoperatief werd een CBCT gemaakt om het virtuele plan te vergelijken met het resultaat. Twee observers beoordeelden de nauwkeurigheid. Langetermijngegevens werden vanuit het dossier genoteerd. Normaal verdeling werd gecheckt met Shapiro-Wilk-test, vergelijk tussen groepen werd met t-test of Mann-Whitney-U test uitgevoerd.
Resultaten
Van 111 patiënten konden 82 worden geanalyseerd. De mediane tijd van eerste consult tot operatie was 34 dagen; 38,7% werd binnen 30 dagen geopereerd. Bij 93,7% waren de botmarges tumorvrij. Reconstructiegerelateerde complicaties traden op bij 38,7%, (botresorptie, schroefloslating en plaatdehiscentie). Er was geen significant verschil tussen conventionele platen en 3D-platen (33,9% vs. 38,5%, p=0,685). Plaatverwijdering was nodig bij 16,2%. Gemiddelde verschillen tussen plan en resultaat waren 1,86 mm (intercondylair), 2,57 mm (intergoniaal) en 2,12 mm (anteroposterieur). De interobserver betrouwbaarheid was hoog (ICC 0,866–0,998). 3D-platen waren significant nauwkeuriger, maar het verschil was beperkt (1–1,5 mm).
Conclusie
De gemiddelde operatieduur ligt net boven de 30 dagen. De nauwkeurigheid van 3D-planning is hoog, ook bij conventionele reconstructieplaten. Complicaties zijn vergelijkbaar met de literatuur. 3D-geplande operaties zijn veilig en goed inpasbaar in de klinische workflow.
FLEUR DE GEER1,2, MAARTEN VAN ALPHEN1, LEON TER BEEK3, BRENDA PLAKKE3, ARJAN TE BOEKHORST3, PETER LOHUIS1, RICHARD DIRVEN1, FRANCOISE SIEPEL2, PETRA DE KOEKKOEK-DOLL3, LUC KARSSEMAKERS1, PIM SCHREUDER1
1 Verwelius 3D Lab, Hoofd Hals Oncologie en Chirurgie, NKI-AvL, Amsterdam
2 Robotica en Mechatronica, Universiteit Twente, Enschede
3 Medische Fysica en Radiologie, NKI-AvL, Amsterdam
Introductie en doelstelling
Reconstructie van uitgebreide hoofd-hals defecten na oncologische resectie gebeurt vaak met een vrij gevasculariseerd weefseltransplantaat. Het succesvol oogsten van een vrije lap hangt sterk af van de locatie en kwaliteit van perforerende bloedvaten (perforatoren). Magnetische Resonantie Angiografie (MRA) biedt gedetailleerd inzicht in het verloop, de grootte, oorsprong van de perforatoren en lengte van de vaatsteel, en biedt voordelen ten opzichte van conventionele Doppler-technieken. Deze studie onderzoekt een innovatieve methode voor perforator mapping waarbij MRA wordt gecombineerd met 3D-modellering en 3D-printen.
Materiaal en methoden
De workflow bestaat uit vier stappen: 1) MRA-acquisitie met gadoliniumcontrast, 2) constructie van een 3D-anatomisch model, 3) ontwerp en 3D-print van een patiëntspecifieke aftekenmal, en 4) translatie van perforatorlocaties naar de huid. De methode werd prospectief geëvalueerd bij patiënten waarbij een dijbeenlap (ALT) of fibulalap geïndiceerd was ter reconstructie van een hoofd-hals defect.
Resultaten
Negentien patiënten ondergingen chirurgie met deze techniek. Bij alle patiënten kwamen de intra-operatieve bevindingen overeen met het 3D-model. In zeventien gevallen kon de lap worden geoogst zoals gepland op basis van het 3D-model; in twee gevallen werd intra-operatief een alternatieve perforator gekozen. De gemiddelde System Usability Scale (SUS)-score was 73,7 (SD 9,0), wat wijst op gebruiksvriendelijkheid van de techniek en meerwaarde voor de opererend chirurg.
Conclusie
Preoperatieve MRA gecombineerd met 3D-planning biedt een stralingsvrije methode die chirurgische precisie en gepersonaliseerd lapontwerp kan verbeteren bij reconstructieve (oncologische) hoofd-hals chirurgie.
Subsidieverstrekkers
Dit onderzoek is mede mogelijk gemaakt door subsidies van de Maurits en Anna de Kock Stichting en Verwelius Foundation.
Martin Koolhoven loopt chronologisch van de eerste Bond – en nee, dat is niet Sean Connery – tot de laatste Bond – op moment van schrijven Daniel Graig – en laat uit deze films de meest iconische en vermakelijke fragmenten zien.
Martin vertelt erbij welke ideeën hij geweldig vond en welke volkomen misplaatst. Ook passeren James Bond replica’s en look-a-likes de revue.
Ooit geweten dat de broer van James Connery ook een James Bond filmvariant heeft gespeeld? (….en het is nog een leuke film ook).
Martin Koolhoven
Filmregisseur en Scenarioschrijver
Tijdens deze hands-on workshop maakt de cursist op praktische wijze kennis met digitale implantologie van begin tot eind.
Onder begeleiding van digital specialist Renze Bakker wordt eerst het planningsproces in DTX Studio uitgelegd, waarna de cursist zelf aan de slag gaat.
Met een vooraf geprinte boormal van dezelfde casus (gemaakt met de Sprintray 3D-printer) wordt een N1-implantaat geplaatst op een oefenmodel.
Aansluitend wordt de bijbehorende kroon geplaatst, zodat het volledige traject – van digitale planning tot eindrestauratie – wordt doorlopen.
Daarnaast is de complete Sprintray workflow live te zien: van scannen tot printen. Een unieke kans om het nieuwe werken binnen de implantologie zelf te ervaren!
K.B. KROMMENHOEK, M.L.F. HOL, R.C. HOOGEVEEN, J.H.M. MERKS, A.G. BECKING
Afdelingen Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, ACTA en Amsterdam UMC, Amsterdam
Afdeling Kinderoncologie, Prinses Máxima Centrum, Utrecht
Introductie en doelstelling
Door verbeterde behandelmethoden overleven steeds meer kinderen kanker in het hoofd-halsgebied, maar dit brengt helaas ook late effecten, waaronder effecten op de tandontwikkeling en mondgezondheid, met zich mee [1]. Deze MKA-talk zal bewustmaking van specifieke late effecten van radiotherapie op tandontwikkeling en hun prevalentie laten zien.
Materiaal en methoden
In de MKA-talk worden de belangrijkste resultaten onze systematic review, literatuuronderzoek en vijf artikelen die samen het proefschrift besproken. Dit omvat de ontwikkeling van een beoordelingstool voor tandeffecten na radiotherapie bij kinderen, analyse van effecten op verschillende tandtypen, tandsteenvorming, gingivitis en dosis-effectmodellen.
Resultaten
Er is een nieuwe diagnostische tool ontwikkeld voor de late kaak- en tandeffecten van kankerbehandelingen bij kinderen. Daarnaast tonen we aan dat tanden die bestraald zijn tijdens de ontwikkelingsfase structurele onderontwikkeling van kroon, wortel en veranderingen in eruptie laten zien. Volwassenen behandeld als kind hebben een verhoogd risico op tandsteen en gingivitis [2].
Conclusie
Kennis van late effecten van radiotherapie op het permanente gebit is essentieel. Bewustzijn van specifieke risico’s maakt gerichte preventie mogelijk. Multidisciplinaire zorg met oncologische en tandheelkundige expertise is cruciaal voor optimale zorg aan iemand die kinderkanker heeft overleefd.
Literatuur
K. KRIKOUR1*, K. EL GHOUL1*, B.P.P. ROUMEN1, T. ABDEL-ALIM1, G.G.M VAN HEESCH2, S.T.H. TJOA3, K.F.M. JOOSTEN2, B. PULLENS4, C.M. RESNICK5, E.B. WOLVIUS1
1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Erasmus MC, Rotterdam
2 Afdeling Intensive Care Kinderen, Sophia Kinderziekenhuis, Erasmus MC, Rotterdam
3 Afdeling Bijzondere Tandheelkunde en Orthodontie, Sophia Kinderziekenhuis, Erasmus MC, Rotterdam
4 Afdeling Keel-, Neus en Oorheelkunde, Erasmus MC, Rotterdam
5 Department of Plastic and Oral Surgery, Boston Children Hospital, Boston, Verenigde Staten
*Deze auteurs hebben in gelijke mate bijgedragen aan dit werk
Introductie en doelstelling
Verscheidene craniofaciale afwijkingen, bijv. Robin sequentie, kunnen leiden tot een afwijkende groei van de onderkaak. Een tijdige onderkenning van een afwijkende groei van de onderkaak kan prognostische informatie verschaffen. Het doel van deze studie is het ontwikkelen en valideren van een model voor de voorspelling van de 3D-groei van de onderkaak.
Materiaal en methode
Er werd gebruikgemaakt van de MAGIC Amsterdam database met geregistreerde 3D-reconstructies van de onderkaak [1]. Er werd een 3D-model geconstrueerd met behulp van partial least squares regressie. De verkregen vormvariabelen dienden als input voor een kwadratische regressiemodel voor voorspelling van de 3D-groei van de onderkaak. Een dataset van 3D-reconstructies van de onderkaak uit longitudinale CT-scans van patiënten met fibreuze dysplasie werd gebruikt voor validatie van de voorspellingen. De nauwkeurigheid werd uitgedrukt in de gemiddelde absolute afstand tussen corresponderende punten van de voorspelde en de daadwerkelijke onderkaak.
Resultaten
De gemiddelde leeftijd van de patiënten uit de trainingset was 12.2±7.1 jaar (N=667, 66.9% man). De eerste vormvariabele bevatte 95.0% van de variatie en was gecorreleerd met de leeftijd (Spearman R=0.87, P>0.001). Er werd een niet-lineair verband geobserveerd tussen leeftijd en morfologische veranderingen van de onderkaak. De grootste veranderingen traden op voor de kleuterleeftijd met stagnatie vanaf de puberteit. De validatieset bestond uit 20 CT-scans van 8.2-22.9 jaar (N=8, 75% vrouw). Het kwadratische regressiemodel behaalde een nauwkeurigheid van 1.05±0.65 mm.
Conclusie
De groei van specifieke delen van de onderkaak varieert met de leeftijd en ontwikkelingsfase. De 3D-groei van de onderkaak kon nauwkeurig worden voorspeld.
Referenties
Figuur 1. Veranderingen in de vorm van de onderkaak met de leeftijd langs de eerste vormvariabele. Er is sprake van niet-lineair verband.
ZIYI WANG, RENEE HELMERS, AYOUB EL KHALFIOUI, JAN DE LANGE, JEAN-PIERRE HO
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Amsterdam UMC, locatie AMC, Amsterdam
Introductie en doelstelling
Iatrogene letsels van de nervus lingualis (LN) en nervus alveolaris inferior (IAN) kunnen leiden tot significante sensore disfunctie. Processed nerve allografts (PNA’s) en conduits zijn effectieve alternatieven voor autologe transplantaten. De huidige literatuur focust echter voornamelijk op effectiviteit en onderbelicht de complicaties. Deze systematische review had als doel de gerapporteerde complicaties geassocieerd met het gebruik van PNA’s en conduits voor LN- en IAN-reconstructie te karakteriseren.
Materiaal en methoden
Een systematische literatuursearch werd uitgevoerd in OVID/MEDLINE, Embase.com en Web of Science tot juli 2025. Studies die rapporteerden over humane LN- of IAN-reparatie met PNA’s of conduits werden geïncludeerd. De primaire uitkomstmaat was postoperatieve complicaties, geclassificeerd volgens de Clavien-Dindo schaal. Data over demografie, letselmechanisme, en sensibel herstel werden kwalitatief geanalyseerd.
Resultaten
In totaal werden 28 studies geïncludeerd, die 307 patiënten en 316 zenuwreconstructies beschreven. PNA’s werden gebruikt in 62% van de reconstructies, voornamelijk voor de IAN (85% van IAN-casuïstiek). Er werden 29 complicaties (9%) gerapporteerd. Opvallend was dat 28 van deze complicaties optraden bij patiënten die gelijktijdig een reconstructie met een vrij fibula transplantaat ondergingen. Gemelde complicaties waren onder meer wondinfecties, vertraagde wondgenezing en hematoom. Slechts twee complicaties waren direct gerelateerd aan het transplantaat zelf.
Conclusie
PNA’s en conduits zijn veilige en effectieve alternatieven voor autologe transplantaten bij LN- en IAN-reconstructies. De meerderheid van de postoperatieve complicaties lijkt gerelateerd aan de complexiteit van de gelijktijdige reconstructieve procedure, en niet aan het gebruikte transplantaattype. Gestandaardiseerde rapportage van complicaties is essentieel voor toekomstig onderzoek.
MILTON CHIN¹, LEA KRAGT¹ ,JUAN BLANCO², MARCO CUNE³–⁴, EPPO WOLVIUS¹, JUSTIN PIJPE¹
¹ Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Erasmus MC, Rotterdam
² Universiteit Santiago de Compostella, Spanje
³ Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, St. Antonius Ziekenhuis, Nieuwegein
⁴ Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, UMC Groningen, Groningen
Inleiding en doelstelling
Implantologie is de behandeling van eerste keuze voor tandvervanging, maar er ontbreekt een uniform systeem om behandelresultaten te meten. Deze studie ontwikkelt en test de DEntal implaNt Set (DENS) als gestandaardiseerd meetinstrument voor implantaatuitkomsten.
Methode
Prospectieve multicenter studie met inclusie van 1.000 patiënten uit 30 praktijken in Nederland en Spanje. Metingen vinden plaats vanaf implantaatplaatsing tot en met 12 maanden na belasting, waarbij klinische parameters en patiëntervaring worden geëvalueerd via gevalideerde digitale vragenlijsten gedurende de follow-up.
Resultaten
Er werden 605 patiënten geïncludeerd door 27 praktijken (355 Nederland, 250 Spanje) met 939 implantaten. Respons op vragenlijsten: 90% (behandelaren), 75% (patiënten). Nederlandse patiënten waren gemiddeld 58,4 jaar (SD=13,6; M50/V50), Spaanse patiënten 55,5 jaar (SD=12,6; M45/V55). Rookprevalentie: 17% (Nederland), 31% (Spanje). Implantaten werden bij 62% (Nederland) en 83% (Spanje) 1-fase geplaatst, waarvan 11% immediaat, 20% vroeg (1-4 maanden) en 69% laat (>4 maanden). Het faalpercentage vooraf aan belasting bedroeg 2,5% (9/355) in Nederland en 2,4% (6/250) in Spanje.
Patiënttevredenheid na belasting
Evaluatie 1-3 maanden na belasting (n=185) toonde 89% tevredenheid over behandeling, 90% over behandelaar en 86% over comfort. Van de patiënten meldde 50% vaak en 22% soms problemen met de pasvorm.
Conclusie
DENS toont zich als een haalbaar en implementeerbaar meetinstrument met hoge respons in de klinische praktijk. Ondanks de hoge patiënttevredenheid blijken prothetische problemen frequent voor te komen, wat het belang benadrukt van zorgvuldige evaluatie van de technische aspecten na plaatsing van de suprastructuur. Na validatie kan DENS bijdragen aan evidence-based implantologie en gerichte kwaliteitsverbetering.
Subsidieverstrekker
ITI (International Team for Implantology).
THOMAS TIENKAMP, ROB VAN SON, MARTIJN WIELING, MAX WITJES, SEBASTIAAN DE VISSCHER, DEFNE ABUR
Centrum voor Taal en Cognitie, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, UMC Groningen, Groningen
NKI-AVL, Amsterdam
Introductie
Een chirurgische ingreep voor tongkanker kan de beweeglijkheid en controle van de tong verminderen, wat leidt tot slik- en spraakproblemen. Hoewel duidelijk kunnen spreken voor patiënten een topprioriteit is (Tschiesner et al., 2013), is er weinig bekend over hoe chirurgie de articulatie, de bewegingen van de tong, kaak en lippen, beïnvloedt.
Doelstelling
Het doel van dit onderzoek was de articulatie en resulterende spraak van patiënten die chirurgisch behandeld werden voor een T1–T2 tongrandcarcinoom pre- en postoperatief in kaart te brengen. De focus lag op klanken die vaak problemen geven na chirurgie: de s-klanken in sok en shock.
Methode
Articulatie- en audiodata werden verzameld bij 12 patiënten (8M, 4V) met een T1- of T2-tongrandcarcinoom, preoperatief en 6, 12 en 18 maanden postoperatief. Elf controlesprekers (7M, 4V) namen eenmalig deel. Articulatiepatronen werden vastgelegd met elektromagnetische articulografie, waarbij kleine sensoren op de tong, kaak en lippen de bewegingen tijdens de spraak registreren. Beide s-klanken werden in zinsverband geproduceerd en geanalyseerd met linear mixed-effects regressie.
Resultaten
Postoperatief maakten patiënten met de tong significant minder onderscheid tussen de twee s-klanken dan preoperatief. Zij compenseerden door de lippen meer te gebruiken. In de geproduceerde spraak zelf werden geen significante akoestische verschillen gevonden.
Conclusie
Chirurgische behandeling voor T1–T2 tongrandcarcinomen leidt tot goede spraakuitkomsten. Op articulatieniveau bleken patiënten in staat om “meer met minder” te doen, aangezien de spraakkwaliteit behouden bleef ondanks verminderde tongmobiliteit. De beschreven compensatiestrategieën kunnen in de toekomst de basis vormen voor evidence-based spraaktherapie, die voor deze patiëntengroep nog steeds ontbreekt.
Literatuur
Tschiesner, U., Sabariego, C., Linseisen, E., Becker, S., StierJarmer, M., Cieza, A., & Harreus, U. (2013). Priorities of head and neck cancer patients: A patient survey based on the brief ICF core set for HNC. European Archives of Oto-RhinoLaryngology, 270(12), 3133–3142.
This lecture offers practical, straight-forward “step-by-step” guidance to residents in training, junior and experienced surgeons toward Minimally Invasive (MI) orthognathic surgery in the daily clinical routine. The background and rationale behind, based on 25 years of experience, in order to increase surgical efficiency and decrease patient morbidity will be presented.
Prof. dr. Gwen Swennen
Kaakchirurg, AZ St. Jan, Brugge, België
De contouren, vorm en het volume van het aangezicht zijn om cosmetische redenen van toenemend belang. ‘Facial sculpting’ staat ons als MKA-chirurgen ter beschikking om hieraan bij te dragen. Dat kan met orthofaciale chirurgie, lipofilling, injectables, cosmetische procedures en door gebruik te maken van alloplastische implantaten. Dankzij de ontwikkeling van 3D-technologie is het tegenwoordig steeds beter mogelijk om alloplastische implantaten patiëntspecifiek te vervaardigen en verdringen ze daarmee de conventionele implantaten.
In de presentatie zullen diverse sculptingmogelijkheden nader worden belicht.
Dr. Rutger Schepers
Kaakchirurg, Martini Ziekenhuis en Face to Face Kliniek, Groningen
Dr. Johan Jansma
Kaakchirurg, Martini Ziekenhuis en Face to Face Kliniek, Groningen
Al een decennium zijn Arnout en Sander Brinks van Tangarine, afkomstig uit Zwolle, de bekendste zingende broers van Nederland en inmiddels niet meer weg te denken uit het muzieklandschap. Ze zingen zoals alleen een eeneiige tweeling dat kan: ‘Samenzang, zó prachtig dat hij uit één mond lijkt te komen in plaats van uit twee,’ schreef de Volkskrant.
Op 23 juni 2023 verscheen hun nieuwe album *Blank Cassette*. Dit album kenmerkt zich door sterke melodielijnen en tweestemmige harmonieën en roept zowel een vertrouwd gevoel op als een nostalgische sfeer van de Westcoast en soft-rock uit de jaren ’70.
In 2013 kreeg Tangarine nationale bekendheid als huisband van ‘De Wereld Draait Door’, waarmee ze de harten van tv-kijkers veroverden. In de jaren erna brachten ze vier albums, twee EP’s en verschillende singles uit, waaronder het album ‘There and Back’, dat ze in 2016 samen met de roemruchte Amerikaanse band Calexico opnamen. De broers reisden langs vrijwel ieder podium in Nederland en speelden op festivals zoals Lowlands, Haldern Pop en Into The Great Wide Open. In 2017 werden Arnout en Sander door Esquire uitgeroepen tot ‘best geklede artiest’.