A.J.M. PILON, R. SCHREURS, J.F. SABELIS, L. DUBOIS
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Amsterdam UMC, Amsterdam
De indicatie voor chirurgische behandeling van orbitafracturen is een van de meest controversiële onderwerpen binnen de traumatologie. De variërende klinische en radiologische presentatie maakt het opbouwen van consistente expertise in de behandelkeuze complex. Daarnaast blijkt het inschatten van de omvang en complexiteit van de fractuur een aanzienlijke uitdaging. Dit benadrukt de behoefte aan objectieve meetmethoden en gestandaardiseerde fractuurclassificatie, die bijdragen aan consistentere en beter onderbouwde behandelstrategieën.
Het doel van deze studie was de fractuurgrootte en -vorm in kaart te brengen. CT-scans van 30 patiënten met orbitabodem- en/of mediale wandfractuur werden geanalyseerd. De fractuurgrootte werd semi-automatisch bepaald door segmentatie van de aangedane orbita-inhoud, benige orbita en spiegeling van de onaangedane zijde. De fracturen werden vervolgens getransformeerd naar één gestandaardiseerd orbita-model, waarmee een 3D breuklijnenkaart en heatmap werden gegenereerd.
Dertig fracturen werden geanalyseerd: 16 orbitabodemfracturen, 4 mediale wandfracturen en 10 gecombineerde fracturen. De gemiddelde fractuurgrootte was 260±146 mm². De breuklijnenkaart en heatmap toonden aan dat de fracturen zich voornamelijk centraal in de orbitabodem lokaliseerden, aanzienlijk varieerden in vorm en de mediale strut van de orbita opvallend vaak intact bleef. Uiteindelijk bleek de strut bij 8 van de gecombineerde fracturen intact te zijn, waardoor deze in werkelijkheid bestonden uit afzonderlijke bodem- en mediale wandfracturen.
Deze studie introduceert een 3D-analyse van orbitafracturen, die inzicht geeft in veelvoorkomende fractuurlocaties en -patronen. De semiautomatische methode biedt potentieel voor nog meer objectieve data en inzichten, wat zal bijdragen aan een consistentere indicatiestelling en uiteindelijk de inzet van AI mogelijk maakt voor verdere verbeteringen in het behandelproces.
I. RAGHOEBAR, R. SCHREURS, R. HELMERS, J. DE LANGE, L. DUBOIS
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, MKA-chirurgie, Amsterdam UMC, Amsterdam
Inleiding
Voorgevormde osteosyntheseplaten zijn een relatief nieuwe optie voor fixatie bij fracturen van het zygomaticomaxillaire complex (ZMC). Een anatomisch voorgevormde osteosyntheseplaat kan in theorie bijdragen aan een betere anatomische reductie. Om dit te realiseren zijn een nauwkeurige pasvorm en voldoende mogelijkheden tot fixatie ten minste vereist.
Doelstelling
In deze studie werd virtueel geëvalueerd in hoeverre een voorgevormde anatomische osteosyntheseplaat bruikbaar is voor de behandeling van ZMC-fracturen.
Methode
Bij honderd patiënten met een geïsoleerde unilaterale ZMC-fractuur werd de pasvorm van drie voorgevormde osteosyntheseplaten (zygoma-paranasaal, zygoma groot en zygoma klein) geëvalueerd. De platen werden virtueel met een semi-automatische methode in de optimale positie geplaatst op een gespiegelde 3D-reconstructie van de niet-gefractureerde zijde. De bruikbaarheid van elke osteosyntheseplaat werd geëvalueerd op basis van de afstand tussen de plaat en het gespiegelde model en de beschikbare fixatiemogelijkheden.
Resultaten
De gemiddelde afstand tussen de plaat en de onaangedane, gespiegelde zijde was 0,59±0,24 mm (zygoma-paranasaal), 0,26±0,07 mm (zygoma groot) en 0,22±0,06 mm (zygoma klein), waarbij de pasvorm significant beter was naarmate de plaat kleiner was (p<0,0001). Het aantal geschikte fixatiemogelijkheden was significant verschillend voor de zygoma-paranasaal (14,43), zygoma groot (7,47) en zygoma kleine plaat (6,18) (p< 0,0001). De kleine en grote zygoma plaat waren adequaat in 97% van de fracturen en de zygoma-paranasaal in 88% van de gevallen.
Conclusie
Na de orbita is ook het ZMC een regio waar anatomisch voorgevormde osteosyntheseplaten qua pasvorm goed bruikbaar zijn. Hierbij zijn implementatie van chirurgische planning naar de kliniek en de rigiditeit van de plaat belangrijke aandachtspunten.
S. YOUSSEF, I. RAGHOEBAR, R. HELMERS, J. DE LANGE, L. DUBOIS
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Amsterdam UMC, Amsterdam
Introductie
Een van de grootste controverses binnen de kaak- en aangezichtschirurgie is de behandeling van condylaire fracturen. De discussie is gericht op open versus gesloten behandeling, in plaats van duidelijke indicaties voor chirurgische interventie te identificeren. Ondanks een recente verschuiving naar open reductie en interne fixatie (ORIF) blijft consensus over de precieze indicaties voor ORIF onduidelijk en niet uniform [1,2].
Materiaal en methode
We hebben systematisch de Cochrane-, Embase- en PubMed-databases doorzocht tot 27 oktober 2023. De studies voor inclusie omvatten artikelen van de afgelopen 15 jaar met patiënten die gediagnosticeerd zijn met elk type condylaire fractuur en die ORIF ondergingen op basis van de gegeven indicaties. We hebben deze indicaties beoordeeld en de bewijsvoering en kwaliteit ervan geëvalueerd.
Resultaten en conclusie
Van de 4711 artikelen werden 100 studies opgenomen. De meest geciteerde indicaties voor ORIF waren die van Zide en Kent, angulatie ≥ 10 graden en verkorting van de ramushoogte van ≥ 2 mm. Na beoordeling van de literatuur blijkt dat het bewijs uit de afgelopen 15 jaar ter ondersteuning van de indicaties voor ORIF aanzienlijk zwak is en meer steunt op expertopinies dan op robuust wetenschappelijk bewijs. In plaats van duidelijke, evidence-based afkappunten voor chirurgische interventie vast te stellen, lijkt veel literatuur zich met name te focussen op de langetermijneffecten van verschillende behandelopties. Gestandaardiseerde metingen, homogene populaties en evidence-based afkappunten voor ORIF zijn nodig om meer consensus te creëren.
Referenties
P.D. VAN DER ZAAG1, R. ROZEMA1, I. REININGA2, B. VAN MINNEN1
1Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, UMC Groningen, Groningen
2Afdeling Traumachirurgie, UMC Groningen, Groningen
Doel
Het onderzoeken van de bijdrage van gestructureerd klinisch onderzoek aan de beoordeling van maxillofaciaal letsel in relatie tot de ervaring van de behandelend arts.
Methode
Op de spoedeisende hulp van vier ziekenhuizen zijn alle patiënten met maxillofaciaal letsel middels een gestandaardiseerd klinisch onderzoek onderzocht. Voorafgaand en na het klinisch onderzoek is de waarschijnlijkheid van de aanwezigheid van een fractuur gescoord op een schaal van nul tot tien. De beoordelaars zijn ingedeeld in vier groepen: coassistenten, ANIOSen, AIOSen en specialisten. Op basis van röntgenonderzoeken zijn de patiënten ingedeeld in subgroepen (met/zonder fractuur). De scores voorafgaand en na het klinisch onderzoek zijn vervolgens vergeleken.
Resultaten
Van de 556 patiënten had 57 (10%) mandibulaletsel en 499 (90%) letsel in het middengezicht. Bij patiënten met een mandibulafractuur scoorden ANIOSen (p=0.002) en AIOSen (p=0.01) na klinisch onderzoek significant hogere waarschijnlijkheidsscores. Bij patiënten zonder een mandibulafractuur veranderden de scores niet na klinisch onderzoek van alle beoordelaars. Bij patiënten met een midfaciale fractuur scoorden ANIOSen (p=0.01) en AIOSen (p=0.002) na klinisch onderzoek significant hogere waarschijnlijkheidsscores. Bij patiënten zonder een midfaciale fractuur scoorden ANIOSen (p<0.001), AIOSen (p<0.001) en de specialisten (p<0.001) na klinisch onderzoek significant lagere waarschijnlijkheidsscores.
Conclusie
De ANIOSen en AIOSen profiteerden meer van het gestandaardiseerde klinisch onderzoek dan coassistenten en specialisten. Coassistenten leken geen voordeel te ervaren, mogelijk omdat ze niet wisten hoe ze de uitkomsten van het klinisch onderzoek moesten interpreteren. Terwijl specialisten al vaardige beoordelingen hadden voor het klinisch onderzoek en daardoor relatief minder verbetering vertoonden in hun beoordelingen na het klinisch onderzoek.
C.J.M. KONING TER HEEGE, R. HELMERS1,2, L. DUBOIS1
1Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Amsterdam UMC, Amsterdam
2Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Noordwest Ziekenhuisgroep, Alkmaar
Introductie
Patiënten met tandheelkundige spoedklachten melden zich regelmatig buiten kantooruren bij de huisartsenpost (HAP) of SEH. Dit onderzoek heeft als doel de omvang van dit probleem in kaart te brengen, gezien de al overbelaste HAP. Hierbij wordt specifiek ingegaan op de triage van tandheelkundige klachten, de samenwerking tussen HAP en tandheelkundige spoeddiensten, en de organisatie van tandheelkundige spoedzorg in het algemeen
Materiaal en methode
83% van de HAP’s hebben meegewerkt aan dit onderzoek, waarin protocollen, samenwerkingen, patiëntencontacten en prioritering van tandheelkundige spoedgevallen zijn onderzocht middels een vragenlijst. Ook werd de reistijd naar de dichtstbijzijnde tandartsspoedpraktijk (TAP) berekend.
Resultaten
Er is beperkte samenwerking tussen HAP en TAP; slechts 23% van de HAP’s werkt samen met een spoedtandarts. Ruim 60% van de HAP’s geven aan dat patiënten zich tot hen wenden omdat tandartsen onbereikbaar of niet beschikbaar zijn. Het duurt doorgaans 15 minuten voordat een huisarts een tandarts aan de lijn krijgt voor overleg. Om dit probleem te ondervangen, heeft 60% van de HAP’s een eigen protocol opgesteld. De reistijd naar een TAP is vaak langer dan 20 minuten, maar buiten de randstad snel meer dan 45 minuten. In de nacht is deze trend in heel Nederland duidelijk.
Conclusie
Dit onderzoek toont aan dat de samenwerking tussen HAP en TAP zeer beperkt is. Daarnaast zorgen lange reistijden en de beperkte beschikbaarheid van spoedtandartsen voor een slechte toegankelijkheid van tandheelkundige spoedzorg, waardoor patiënten vaak uitwijken naar de HAP. Een NHG-standaard voor tandheelkundige spoedklachten kan op korte termijn verlichting bieden, maar structureel is meer centrale regie vanuit de beroepsgroep nodig.
Referenties
Binnen de hoofd-hals oncologie wordt al veel data verzameld door de DHNA. Het aanleveren, valideren en interpreteren van deze data is tijdrovend. Ondanks dat dit waardevol is voor verschillende stakeholders, heeft het niet altijd klinische implicatie voor de zorg in een lokaal hoofd-hals centrum.
In deze presentatie word je meegenomen in de ontwikkeling van het waardegedreven zorg dashboard hoofd-hals oncologie in het Rijnstate. Hoe verzamel je de benodigde data, hoe geef je deze het beste weer en wat wil je ermee bereiken?
Marjolijn Oomens
Vakgroep MKA-chirurgie Rijnstate, Arnhem
Als spreker neemt Peter Blangé je mee in de wereld van topsport gecombineerd met data, ICT en innovaties.
Peter Blangé
Professioneel volleybal; spelverdeler en aanvoerder, Olympisch Goud Atlanta - Directeur Rotterdam Topsport, Bondscoach Nevobo, Innosport lab Papendal - Presentatie innovatie manager KNVB - Voorzitter atleten commissie van NOC*NSF
R.W. RENKEMA, W. ROOIJERS, E.B. WOLVIUS
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Erasmus MC, Rotterdam
Introductie en doelstelling
Craniofaciale microsomie (CFM) is na schisis de meest voorkomende congenitale aandoening van het aangezicht. In deze presentatie geven we een overzicht van de belangrijkste inzichten over CFM die de afgelopen jaren zijn opgedaan en geven we richting voor toekomstig onderzoek.
Materiaal en methoden
Op basis van systematisch literatuuronderzoek is in 2022 een overzichtsartikel gepubliceerd over de wetenschappelijke vooruitgang op het gebied van CFM [1]. Daarnaast is in 2020 via de “European Reference Network for rare and/or complex craniofacial anomalies, and Ear, Nose, and Throat (ENT) disorders” (ERN-CRANIO) de European Guideline Craniofacial Microsomia vastgesteld en gepubliceerd [2]. Deze werken en het recent verdedigde proefschrift van de auteur zullen worden besproken.
Resultaten
In het laatste decennium hebben verschillende grote multicenter studies meer inzicht gegeven over de fenotypische kenmerken van CFM en de daaraan gerelateerde problematiek op onder andere ademhaling, voeding, spraak, gehoor en psychosociale ontwikkeling [1,2,3]. Naast onderontwikkeling van aangezichtsstructuren is er bij 47% van de patiënten sprake van afwijkingen buiten het aangezicht.
Conclusie
Door samenwerking tussen craniofaciale centra is afgelopen jaren voor het eerst mogelijk geworden om onderzoek te doen met grote aantallen CFM-patiënten. De fenotypische variatie van CFM, zowel in ernst als uitgebreidheid van aangedane structuren, zorgt dat een patiënt specifieke benadering op basis van individuele wensen nodig is. Toekomstig onderzoek waarin patiënt gerapporteerde uitkomstmaten centraal worden gesteld helpen hierbij. Daarnaast is meer onderzoek naar uitkomsten van behandelingen nodig. Verdere samenwerking tussen centra, zowel nationaal als internationaal, waarbij de klinische kenmerken van patiënten en behandeluitkomsten worden geregistreerd kunnen de zorg voor deze patiënten verbeteren.
Referenties
A.Z. MATTHEWS-BRZOZOWSKI1, I.C. WOLSWIJK1, C.M. MOUËS-VINK2
1Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Schisisteam Noord, MC Leeuwarden, Leeuwarden
2Afdeling Plastische Chirurgie, Schisisteam Noord, MC Leeuwarden, Leeuwarden
Introductie en doelstelling
Kinderen met schisis hebben significant vaker agenesie dan de algemene bevolking. Agenesie in de boven- en onderkaak bij schisis is uitgebreid onderzocht, maar er is weinig bekend over mandibulaire agenesie in een schisispopulatie in vergelijking met een controlegroep.
Materiaal en methode
De orthopantomogrammen en dossiers van 229 non-syndromale schisispatiënten van 5-17 jaar, behandeld bij Schisisteam Noord, werden beoordeeld. Schisisclassificaties waren uni- of bilaterale cheiloschisis (CL) of cheilognathopalatoschisis (CLP) en complete of submuceuze palatoschisis (CP). 260 gezonde kinderen (5-10 jaar) vormden de controlegroep, gematcht op geslacht. Mandibulaire agenesie (MA) werd per element gescoord als er geen krooncalcificatie zichtbaar was. Met Chi-Square-toets en Fisher’s Exact-toets werden de prevalentie geanalyseerd en (sub)groepen vergeleken (p < .05).
Resultaten
De schisisgroep had vaker MA (10,5%) dan de controlegroep (5,0%) (p = .026). De prevalentie verschilde tussen CL (0%), CLP (9,6%) en CP (17,6%); enkel CP verschilde significant van de controlegroep (p = <.001). De agenesieprevalentie was hoger bij CP-compleet (26,3%) t.o.v. CP-submuceus (3,6%) (p = .018). Element P2 was het vaakst aangedaan. Agenesieprevalentie element 35 was 1,5% bij de controlegroep, 7,4% bij CLP (p = .003) en 10,6% bij CP (p = .007). Voor element 45 was dit 7,4% bij de controlegroep, 4,4% bij CLP en 9,1% bij CP (p = .043). UCLP en BCLP hadden overeenkomende agenesielocaties.
Conclusie
MA komt vaker voor bij schisis dan bij de controlegroep. Het betreft met name de tweede premolaar met voorkeur voor links. Kinderen met CP hebben drie keer vaker MA dan kinderen zonder schisis.
Referenties
1. Marzouk T, Alves IL, Wong CL, DeLucia L, McKinney CM, Pendleton C, et al. Association between dental anomalies and orofacial clefts: A meta-analysis. JDR Clinical & Translational Research. 2021;6(4):368-381.
2. Howe BJ, Pendleton C, Withanage MHH, Childs CA, Zeng E, van Wijk A, et al. Tooth Agenesis Patterns in Orofacial Clefting Using Tooth Agenesis Code: A Meta-Analysis. Dentistry journal. 2022;10(7):128.
3. Schwartz JP, Garib DG. Dental anomalies frequency in submucous cleft palate versus complete cleft palate. European Journal of Orthodontics. 2021;43(4):394-398.
C. VIENERIUS, V.C.M.L. TIMMER, P.A.W.H. KESSLER
Dept. of Cranio-maxillofacial Surgery, Maastricht UMC+, Maastricht
GROW, School of Oncology and Regenerative Medicine, Maastricht UMC+, Maastricht
Introductie en doelstelling
Craniofaciale defecten in de orbitale, nasale en auriculaire regio’s zijn voornamelijk het gevolg van ablatieve chirurgie na oncologische aandoeningen [1]. De defecten veroorzaken uitdagingen in de reconstructie, waarbij epitheses vaak gebruikt worden [1,2,3]. Hierbij is retentie een grote uitdaging. Implantaat-gedragen epitheses kunnen een positief effect hebben op de retentie, mits er sprake is van goede osseointegratie. Om optimale osseointegratie te bereiken, werden specifieke technieken gebruikt om een nieuw implantaatsysteem voor craniofaciale reconstructie te ontwerpen. Het doel van dit systeem is osseointegratie en stabiliteit verbeteren en implantaatverlies verminderen. Deze studie onderzoekt het gebruik van dit implantaatsysteem bij craniofaciale defecten.
Materiaal en methoden
De pilotstudie onderzocht de AHEAD-titaniumimplantaten ontworpen door BioComp©. Deze implantaten hebben een Hydroxy Apatiet Vapor Deposition (H.A.V.D) coating, die een oppervlaktebehandeling met titaniumoxide grit-blasting, duale zuur-etsing en een dunne laag hydroxyapatiet combineert. Er werden negen patiënten geïncludeerd waarbij 19 implantaten direct na ablatieve chirurgie van het oor, neus of oog werden geplaatst volgens een bijbehorend protocol. Stabiliteit werd in twee richtingen gemeten met een Osstell-apparaat en uitgedrukt in implantaat-stabiliteitsquotiënt (ISQ). Patiënttevredenheid werd getest met een vragenlijst met analoge schaal (0-10).
Resultaten
Gemiddelde ISQ was 61,8 bij plaatsing en 78,1 na één jaar. Één van de 19 geplaatste implantaten is verloren gegaan. Verder vonden er vier adverse events plaats, waarvan drie losgelaten suprastructuren en één losgelaten abudment met magnacap. De gemiddelde patiënttevredenheidsscore was een 8,6.
Conclusie
Het Biocomp© AHEAD implantaatsysteem is een geschikt implantaatsysteem voor epithetische reconstructie van het oor, neus of oog.
Referenties
Het onderzoek werd materieel ondersteund door BioComp Industries B.V., Vught.
Digitalisering in de mondzorg en kaakchirurgie gaat hand in hand met dentomaxillofaciale beeldvorming. De afgelopen tien jaar is 3D-beeldvorming een dominante rol gaan spelen in de dagelijkse praktijk. Toch wordt digitalisering vaak beschouwd als een last, omdat het zowel een tijdsinvestering als knowhow in geavanceerde beeldanalyse vereist. Een mogelijke oplossing kan worden geboden door kunstmatige intelligentie (AI), die een revolutie kan teweeg brengen in de gezondheidszorg door een aantal oplossingen te bieden voor tijdsefficiënte, nauwkeurige en consistente klinische workflows, ter ondersteuning van onderwijs, diagnose en behandelplanning. De vraag blijft welke rol AI kan spelen in de dagelijkse praktijk. Wordt het onze perfecte assistent? Neemt AI taken over van ons brein? Kan AI het chirurgische brein sturen? Welk antwoord er ook komt, AI zal ongetwijfeld helpen bij de vormgeving van de toekomstige klinische praktijk.
Prof.dr. Reinhilde Jacobs
Hoofd afdeling Mond-, Kaak- en Aangezichtschirurgie - Beeldvorming & Pathologie KU Leuven
Condylaire resorptie is een zeer vervelend probleem waar zowel patiënt, orthodontist als kaakchirurg mee te maken kunnen krijgen. Het resultaat van een twee tot drie jaar durende gecombineerde behandeling kan in enkele weken tenietgedaan worden. Deze lezing laat zien hoe we met een data-gedreven benadering de diagnostiek van condylaire resorptie kunnen verbeteren. U wordt meegenomen in de wereld van ‘whole genome sequencing’, zeldzame variant analyse en ‘genome-wide association’-studies, die we gebruiken om de vatbaarheid voor deze aandoening te onderzoeken. Door condylaire resorptie beter te begrijpen en mogelijk te voorspellen, kunnen we de zorg voor patiënten die een gecombineerde chirurgisch-orthodontische behandeling ondergaan, optimaliseren. Deze lezing illustreert hoe de principes van datascience in een onderzoeksetting worden toegepast op een concreet klinisch probleem.
Dr. Pieter-Jan Verhelst
Staflid afdeling Mond-, Kaak- en Aangezichtschirurgie KU Leuven
B. MOHAMED, F.J.B. SLIEKER, R. DE BREE, E.M. VAN CANN
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, UMC Utrecht, Utrecht
Introductie en doelstelling
Het doel van dit onderzoek is het vaststellen van de vijfjaars-overleving (5JO) van patiënten die zijn behandeld voor plaveiselcelcarcinoom van de tong (TSCC) en het identificeren van voorspellers van overleving; met de voorspellers kan in de toekomst een predictiemodel ontwikkeld worden voor patiënten met TSCC.
Materiaal en methoden
In PubMed, CENTRAL en EMBASE werd systematisch gezocht naar klinische studies over overleving van patiënten met TSCC. De Newcastle-Ottawa-schaal werd gebruikt voor de kwaliteitsbeoordeling van de studies. De gepoolde 5JO werd bepaald, de voorspellers van de 5JO geïdentificeerd, en de overall odds ratios (oOR) berekend van de voorspellers.
Resultaten
Er werden 3188 studies gevonden, waarvan 30 studies met 9147 patiënten werden geïncludeerd. De gepoolde 5JO was 71.7%. Leeftijd, invasiediepte, perineurale invasie, T-stadium, N-stadium en chirurgische behandeling waren voorspellers voor 5JO. De oOR voor de 5JO was voor T-stadium 2.90 (1.40 – 6.00) en voor N-stadium 8.85 (2.34 – 33.78). De overige variabelen waren niet significant voor de voorspelling van de 5JO.
Conclusie
Patiënten die zijn behandeld voor TSCC hadden een gepoolde vijfjaars-overleving (5JO) van 71.7%. Leeftijd, invasiediepte, perineurale invasie, T-stadium, N-stadium en chirurgie waren voorspellers voor 5JO van TSCC, waarvan T-stadium en N-stadium de belangrijkste voorspellers bleken.
F.J. VOSKUIL1, T.S. NIJBOER1, B. KEIZERS2, B. VAN DER VEGT3, J.J. Doff3, J. BOEVE1, K.P. SCHEPMAN1, M.J.H. WITJES1
1Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, UMC Groningen, Groningen
2Afdeling Nucleaire Geneeskunde en Medische Beeldvorming, UMC Groningen, Groningen
3Afdeling Pathologie en Moleculaire Biologie, UMC Groningen, Groningen
Introductie en doelstelling
Adequate chirurgische resectie is de primaire behandeling bij plaveiselcelcarcinoom in het hoofd-halsgebied. Huidige technieken bieden geen betrouwbare informatie voor intra-operatieve snijvlakbepaling. Fluorescentiebeeldvorming toont een hoge sensitiviteit voor het detecteren van inadequate snijvlakken, met tot op heden een matige specificiteit [1]. Het doel van deze studie is het optimaliseren van de klinische toepasbaarheid door fluorescentiebeeldvorming te combineren met een fluorescentie geleide vriescoupe.
Materiaal en methode
Patiënten met bewezen plaveiselcelcarcinoom in de mondholte werden geïncludeerd. Twee dagen pre-operatief werd de fluorescente tracer cetuximab-800CW toegediend. Direct na excisie werd de marge beoordeeld middels fluorescentie beeldvorming op het vers uitgenomen weefsel.
Een vriescoupe werd verricht in het geval van: (i) een fluorescente spot op één van de resectiemarges, of (ii) als een inadequate marge (<5 mm) wordt gezien op de vers gesneden lamellen. Als de vriescoupe een inadequate marge bevestigde, werd, indien mogelijk, direct een additionele resectie gedaan.
Resultaten
Twintig patiënten zijn geïncludeerd. Fluorescentiebeeldvorming van enkel het resectiepreparaat toont een sensitiviteit en specificiteit van respectievelijk 44% en 80%. Margebeoordeling middels fluorescentiebeeldvorming van de lamellen toont een sensitiviteit en specificiteit van respectievelijk 100% en 33%. Wanneer op basis van fluorescentiebeeldvorming van lamellen ‘gerichte’ vriescoupe analyse wordt verricht, stijgt de specificiteit naar 100%. Op basis van deze methode werden 9 van de 11 inadequate marges peroperatief vergroot, met de daarbij behorende vermindering van adjuvante therapie op basis van de marge.
Conclusie
De eerste resultaten laten zien dat het huidige protocol voor fluorescentie-analyse met bevestiging door een intra-operatieve vriescoupe klinisch toepasbaar is voor het verbeteren van chirurgische uitkomsten in hoofd-halskanker.
Referenties
1. De Wit JG et al., Nat Commun. 2023
Subsidieverstrekkers
Mandema Stipendium – Universitair Medisch Centrum Groningen.
C.M.E.M. ADRIAANSENS, K.J. DE KONING, R. DE BREE, G.E. BREIMER, H. GHAEMINIA, L.E. SMEELE, E.A. DIK, T.J.W. KLEIN NULENT, M.J.H. WITJES, B.P. JONKER, R.J. KLIJN, R.J.J. VAN ES, R. NOORLAG
Afdelingen Hoofd-Hals Chirurgische Oncologie, UMC Utrecht, Ziekenhuis Rijnstate Arnhem, Antoni van Leeuwenhoek Amsterdam, Radboud UMC Nijmegen, Haaglanden MC Den Haag, UMC Groningen, Erasmus MC Rotterdam, Medisch Spectrum Twente
Introductie en doelstellingen
Bij verwijdering van tongcarcinomen is het lastig vrije marges te verkrijgen. In de literatuur worden inadequate marges bij 85% van de patiënten gevonden (de Koning et al., 2022). Intra-operatieve beeldvormende technieken zouden de resectie kunnen sturen en direct kunnen beoordelen of resectiemarges adequaat zijn. Echogeleide chirurgie lijkt effectief in het verkrijgen van correcte resectiemarges (de Koning et al., 2022). Doel van deze studie is om de meerwaarde van het gebruik van echografie bij tongresecties te onderzoeken.
Methode
Er worden 150 patiënten met een eerste primair cT1-3 plaveiselcelcarcinoom van de tong geïncludeerd in acht hoofd-hals oncologische centra. Patiënten worden gerandomiseerd voor echogeleide of conventionele resectie. Naar verwachting zal de laatste patiënt in september 2024 geïncludeerd worden, waarna de gegevens geanalyseerd worden.
Resultaten
Na interim analyse van 43 patiënten blijkt er geen statistisch significant verschil tussen de echogeleide-groep en de controlegroep wat betreft tumorvrije marges. Vrije marges (≥5.0 mm) in de controlegroep: 71% en in de echogeleide-groep 46%. Tumor-positieve marges (<1.0 mm) in de controlegroep: 10%, in de echogeleide-groep 9%.
Conclusie
Bij interim analyse werden geen significante verschillen gevonden in marges tussen echogeleide en conventionele resecties. Inclusie van patiënten werd derhalve gecontinueerd en is bijna voltooid. De goede resultaten van conventionele chirurgie in dit onderzoek ten opzichte van historische cohorten wordt mogelijk verklaard door een verhoogd bewustzijn voor adequate marges tijdens deze studie. Tijdens het najaarscongres zullen definitieve resultaten gepresenteerd kunnen worden.
Referentie
de Koning KJ, van Es RJJ, Klijn RJ, Breimer GE, Willem Dankbaar J, Braunius WW, Van Cann EM, Dieleman FJ, Rijken JA, Tijink BM, de Bree R, Noorlag R (2022). Application and accuracy of ultrasound-guided resections of tongue cancer. Oral Oncology, 133, 106023. https://doi.org/10.1016/j.oraloncology.2022.106023
Dit onderzoek wordt gefinancierd door het KWF (grant nummers 13577 en 11906).
J-I. HEINS, B.J. MEREMA, A. KRUSHYNSKA, J. KRAEIMA, M.J.H. WITJES
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, UMC Groningen, Groningen
Faculty of Science and Engineering, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen
Introductie en doelstelling
In specifieke gevallen wordt na een continuïteitsresectie de mandibula gereconstrueerd met behulp van titanium reconstructieplaten zonder bottransplantaat. Deze reconstructieplaten moeten soms worden verwijderd als gevolg van plaatbreuk, schroefloslating of door botresorptie door te lage of te hoge botbelasting (stress-shielding). Titanium lijkt te stijf voor deze osteosynthese toepassingen. Echter, middels de toepassing van ‘metamaterials’, kan de stijfheid van een materiaal kunstmatig worden aangepast en gestuurd.
Metamaterials zijn bestaande materialen met nieuwe mechanische eigenschappen verkregen door microschaal structuren.
Het doel van deze studie is het introduceren en mechanisch valideren van een metamaterial reconstructieplaat die het stress shielding-effect vermindert, terwijl plaatbreuk wordt voorkomen.
Materiaal en methoden
Het rekpatroon van een kaak met een solide reconstructieplaat wordt vergeleken met een metamateriaalplaat door middel van foto-elasticiteitstesten. De implantaten worden geassembleerd met transparante mandibula segmenten. Door middel van polariserende filters en een lichtbron wordt de rek ten gevolge van interne spanningen in het kaakbot, na mechanische belasting van het kaakbot, zichtbaar gemaakt en vastgelegd met een camera. De resultaten worden gevalideerd door middel van Finite Element Analysis (FEA).
Resultaten
Uit de resultaten blijkt dat de krachten gelijkmatiger worden verdeeld over de schroeven die worden gebruikt om de reconstructieplaat te fixeren. Hierdoor worden zowel overbelasting als onderbelasting verminderd, wat naar verwachting het stress shielding-effect zal beperken.
Conclusie
Middels de toepassing van metamaterials kan de krachtenverdeling en het daaruit voortkomende rekverloop in de mandibula worden gestuurd. Hierdoor kunnen te hoge en te lage belastingen in het bot worden voorkomen. Hiermee valt het effect van stress-shielding en bijbehorende botresorptie naar verwachting te reduceren.
H. SCHUTTE, F. BIELEVELT, M.S.M. MURADIN, R.L.A.W. BLEYS, A.J.W.P. ROSENBERG
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, UMC Utrecht, Utrecht
Introductie en doelstelling
Gezichtsuitdrukkingen, veroorzaakt door een samenspel van de faciale spieren, spelen een cruciale rol in sociale interacties. Aangezichtschirurgie kan deze gezichtsuitdrukkingen veranderen door de ruimtelijke ordening van de faciale spieren te wijzigen [1,2]. Kennis omtrent deze ordening is cruciaal voor chirurgen. Aangezien de anatomie van de faciale spieren verschilt tussen individuen [3], heeft een geïndividualiseerde benadering de voorkeur. Idealiter zouden individuele modellen gebruikt worden voor de perioperatieve beoordeling. Momenteel is de enige manier om individuele modellen te verkrijgen, door middel van handmatige segmentatie, wat een moeizaam en tijdrovend proces is.
Materiaal en methode
Deze studie onderzoekt het gebruik van deep learning voor de automatische segmentatie en voert een pilotstudie uit op de musculus zygomaticus major. Er werd een twee-staps convolutional neural network (CNN) ontwikkeld, dat de spier automatisch segmenteert met behulp van 3D-U-Net-architecturen. Het netwerk werd getraind op een dataset met 70 hoofd-hals MRI-scans, die handmatig zijn gesegmenteerd.
Resultaten
Het algoritme behaalde een gemiddelde Dice-score van 0,289, wat nog onvoldoende is voor klinische toepassing en de uitdagingen benadrukt bij het nauwkeurig aftekenen van kleine gezichtsspieren op basis van MRI-gegevens. Ondanks de lage nauwkeurigheid toonden de modellen een aanzienlijke overlap met handmatige segmentaties, wat wijst op potentieel voor semi-geautomatiseerde werkstromen. Mogelijke verbeteringen liggen in het vergroten van de trainingsdata, het gebruik van scans met een hogere resolutie en handmatige ROI-identificatie.
Conclusie
Deze pilotstudie zet een eerste stap richting automatische segmentatie van faciale spieren en biedt mogelijkheden voor toekomstig onderzoek.
Referenties
J.A.M. SCHIPPER, X. ZHANG, T.G.J. LOONEN, P.U. DIJKSTRA, F.K.L SPIJKERVET, M.C. HARMSEN, J. JANSMA, R.H. SCHEPERS
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, UMC Groningen, Groningen.
Introductie en doelstelling
Lipofilling (vet transplantatie) wordt gebruikt voor het herstel van volume verlies in het gezicht door congenitale afwijkingen, trauma, oncologische resecties of veroudering. Omdat het volume behoud onvoorspelbaar is, worden nieuwe supplementen onderzocht zoals stromale vasculaire fractie (SVF) als toevoeging aan de lipofilling.
Materiaal en methoden
Een gerandomiseerde klinische trial werd tussen 2020-2024 verricht met een follow-up duur van 1 jaar bij patiënten die vanwege volumeverlies door veroudering een lipofilling behandeling wensten. Patiënten werden in de interventie groep (lipofilling met stromale vasculaire fractie) of in de controlegroep (lipofilling zonder supplement) gerandomiseerd. Een vaste hoeveelheid van 5ml werd per zijde in de jukbeen regio geïnjecteerd. Volume werd bepaald door middel van 3D-scans verkregen met een structured light scanner en de patiënttevredenheid werd aan de hand van de FACE-Q vragenlijst gemeten.
Resultaten
Er werden 27 patiënten geïncludeerd, waarvan 5 patiënten stopten met de studie voor de operatie (V:27, M:0; gemiddelde leeftijd interventie groep: 54.8 jaar, controlegroep: 55.5 jaar). Gemeten volume en patiënttevredenheid na 1 jaar verschilde niet tussen de interventiegroep en controlegroep.
Conclusie
Stromale vasculaire fractie van vet bij lipofilling van het gezicht verbetert volumebehoud of patiënttevredenheid niet.