B. GOEI1, C.J. KUIJPERS1, J.E. BERGSMA1, E.M. VAN CANN1,2
1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie en Bijzondere Tandheelkunde, Universitair Medisch Centrum Utrecht, Utrecht
2 Afdeling Hoofd-Halschirurgische Oncologie, UMC Utrecht Cancer Center, Universitair Medisch Centrum Utrecht, Utrecht
Introductie en doelstelling
Ondanks uitgebreide literatuur over mandibulaire reconstructie, ontbreekt systematisch onderzoek dat het besluitvormingsproces bij de keuze voor een reconstructietechniek expliciet beschrijft 1,2.
De beslissing is in de praktijk vaak gebaseerd op persoonlijke voorkeur en ervaring van de chirurg 1,3. Het doel van deze studie was inzicht verkrijgen in het besluitvormingsproces van MKA-chirurgen bij de selectie van een reconstructietechniek voor primaire reconstructie van oncologische segmentale mandibuladefecten.
Methoden
Een online cross-sectionele enquête werd uitgevoerd onder hoofd-hals oncologen (MKA) in de Nederlandse hoofd-halsoncologische centra en preferred partners. Gegevens werden verzameld over de domeinen: patiëntkenmerken, reconstructiekeuze per defecttype, dentitie en dentale rehabilitatie, postoperatieve radiotherapie (PORT) en 3D-planning.
Resultaten
Perifeer arterieel vaatlijden (23/24; 96%), psychische status (21/24; 88%) en performance status (18/24; 75%) werden het vaakst genoemd voor het beoordelen van patient fitness voor primaire reconstructie met een osteocutane lap. Bij niet-fitte patiënten had reconstructie met een osteosyntheseplaat de voorkeur bij geen of minimale intra-orale wekedelen betrokkenheid (12/23; 52%), en een osteosyntheseplaat met locoregionale lap bij uitgebreide wekedelen betrokkenheid (21/23; 91%). Bij fitte patiënten had een osteocutane lap overtuigend de voorkeur (>90%). De dentale status beïnvloedde het besluitvormingsproces bij 9/18 (50%) van de respondenten. Bij hoge kans op PORT prefereerden 11/18 (61%) respondenten een osteocutane lap, terwijl 7/18 (39%) aangaven dat PORT geen invloed had op het besluitvormingsproces.
Conclusie
Over de meeste domeinen binnen het besluitvormingsproces bestaat consensus, terwijl twee domeinen heterogeniteit vertonen. Deze bevindingen zijn aanleiding voor vervolgonderzoek gericht op het ontwikkelen van een op expert opinion gebaseerde richtlijn.
Referenties
Subsidieverstrekkers
Geen.
M. VAN DER HEIJDEN1, R. FLES1, JP. DE BOER2, J.B.A.G. HAANEN2, W.H. SCHREUDER1, L. KARSSEMAKERS1, M.W.M. VAN DEN BREKEL1, C.L. ZUUR1
1 Afdeling Hoofd-Halschirurgie en Oncologie, Antoni van Leeuwenhoek/Nederlands Kanker Instituut, Amsterdam
2 Afdeling Medische Oncologie, Antoni van Leeuwenhoek/Nederlands Kanker Instituut, Amsterdam
Introductie en doelstelling
De huidige standaardbehandeling voor gevorderd mondholtecarcinoom (stadium III/IVA) bestaat vaak uit uitgebreide ablatieve chirurgie met reconstructie of klosprothese en adjuvante (chemo)radiotherapie. Dit leidt tot ernstige functionele morbiditeit en een verminderde kwaliteit van leven. De IMCISION-2 studie onderzoekt of ultra-korte neoadjuvante immuuntherapie kan leiden tot duurzame complete klinische remissie (CCR) met orgaanbehoud, waardoor mutilerende chirurgie bij patiënten die goed reageren op de medicatie veilig voorkomen kan worden.
Materiaal en methoden
Deze landelijke, multicentrische gerandomiseerde fase 3-studie includeert 308 patiënten. De experimentele arm ontvangt nivolumab (week 0 en 2) en ipilimumab (week 0). In week 4 vindt een uitgebreide responsbeoordeling plaats middels klinisch onderzoek, PET-CT en MRI. Responders gaan een strikt “wait-and-scan” surveillanceprotocol in; bij non-responders wordt de geplande standaardchirurgie in week 5 uitgevoerd. Primaire eindpunten zijn het percentage patiënten met orgaanbehoud na 24 maanden en non-inferioriteit van de recidiefvrije overleving (RFS). Secundaire eindpunten zijn kwaliteit van leven en kosteneffectiviteit. De controlearm krijgt de huidige standaardbehandeling.
Resultaten
Op basis van de eerdere IMCISION-1 studie wordt een responspercentage van 20-30% verwacht waarbij geen chirurgie nodig is. Voorgaand onderzoek toonde aan dat deze korte neoadjuvante immuuntherapie veilig is, hanteerbare toxiciteit kent en de chirurgische planning niet vertraagt.
Conclusie
IMCISION-2 beoogt een paradigmaverschuiving te bewerkstelligen waarbij chirurgie en radiotherapie alleen worden ingezet wanneer strikt noodzakelijk, met als doel de kwaliteit van leven te verbeteren zonder de oncologische veiligheid in gevaar te brengen.
Referenties
Vos JL, et al. Neoadjuvant immunotherapy with nivolumab and ipilimumab induces major pathological responses in patients with HNSCC. Nat Commun. 2021;12(1):7348.
Subsidieverstrekkers
Veelbelovende Zorg (ZonMw/Zorginstituut Nederland).
P.D. VAN DER ZAAG1, B. VAN VLIET1, R. ROZEMA1,2, I.H.F. REININGA3, B. VAN MINNEN1
1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Universitair Medisch Centrum Groningen, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen
Doel
Om de epidemiologie van aangezichtsletsel bij pediatrische patiënten (<18 jaar) te onderzoeken. Bij deze groep werden tevens de diagnostische prestaties van de REDUCTION-I klinische beslissingstools, die oorspronkelijk werden ontwikkeld voor het uitsluiten van middengezichts- en mandibulafracturen bij volwassenen, geëvalueerd.
Methoden
In een prospectieve cohortstudie werden gegevens geanalyseerd van pediatrische patiënten met aangezichtsletsel die deelnamen aan de REDUCTION-studie. Het onderzoek vond plaats in vier Nederlandse ziekenhuizen tussen mei 2018 en oktober 2019. Klinische parameters en fractuurgegevens werden verzameld uit elektronische rapportformulieren en patiëntendossiers. De primaire uitkomsten waren de epidemiologie van aangezichtsletsel en de diagnostische prestaties van de klinische beslissingstools.
Resultaten
Van de 108 pediatrische patiënten ondergingen 63 radiologisch onderzoek. Middengezichtsletsel kwam voor bij 44 patiënten (70%), waarvan 20 (46%) een fractuur hadden. Mandibulaire letsels werden gezien bij 29 patiënten (46%), waarvan 7 (24%) een fractuur hadden. De beslissingstool voor het middengezicht had een sensitiviteit van 95% (95% CI: 76–99), een specificiteit van 33% (18–53) en een negatieve voorspellende waarde (NPV) van 89% (57–98). De mandibulaire beslissingstool had een sensitiviteit van 100% (57–100), een specificiteit van 14% (5–33) en een NPV van 100% (44–100).
Conclusie
De REDUCTION-I klinische beslissingstools tonen een hoge NPV voor het uitsluiten van aangezichtsfracturen bij pediatrische patiënten. Door de lage specificiteit wordt echter slechts een klein deel van de patiënten negatief gescreend. Het potentieel van deze tools om het aantal radiologische onderzoeken in deze populatie te verminderen lijkt daarom beperkt.
M.N. Gribova
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Universitair Medisch Centrum Groningen, Groningen
Op 24 februari 2022 vond een ingrijpende gebeurtenis plaats in Europa: Rusland viel Oekraïne binnen. Sindsdien heeft deze oorlog een duidelijke invloed gehad op de zorgpraktijk in Nederland, mede door de toestroom van Oekraïense patiënten.
Een bijzondere patiëntengroep betreft Oekraïense militairen, die na vaak langdurige behandeltrajecten in Nederland aankomen voor reconstructieve zorg van complexe oorlogswonden. Deze patiënten zijn de afgelopen jaren in meerdere (academische) centra behandeld.
De vraag rijst hoe deze militairen in Nederland terechtkomen, welke route zij afleggen en welke factoren een rol spelen vóór, tijdens en na hun verblijf.
Sinds 2022 zijn volgens het Ministerie van Volksgezondheid van Oekraïne ongeveer 6000 patiënten geëvacueerd uit Oekraïne voor medische behandeling in het buitenland. Hiervan zijn circa 441 patiënten in Nederland behandeld. Naast complexe lichamelijke letsels spelen bij deze patiënten ook taal- en cultuurbarrières een belangrijke rol. Daarnaast zijn zij vaak afhankelijk van ondersteuning door vrijwilligers en (lokale) overheden voor begeleiding, verblijf en financiering van zorg.
Veel patiënten hebben reeds eerdere behandelingen in Oekraïne ondergaan. Bovendien vormt een mogelijke besmetting met bijzonder resistente micro-organismen (BRMO), zoals beschreven door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, een belangrijke factor die de behandeling in Nederland beïnvloedt.
Aan de hand van een casus uit Groningen wordt dit proces nader toegelicht. Daarbij wordt ingegaan op de organisatie van zorg en de uitdagingen die gepaard gaan met de behandeling van oorlogsslachtoffers uit Oekraïne. Deze inzichten kunnen bijdragen aan verdere verbetering van de zorg, aangezien duidelijk is geworden dat vrede niet langer vanzelfsprekend is.
Na een inleiding over de heftigheid qua gewondenaanbod (zowel qua aantallen als verwondingen) bij het conflict in Oekraïne, zal ik een toelichting geven over ons Nederlandse Operationele Gezondheidszorg systeem (met een focus op de geneeskundige behandel- en afvoerketen) van Defensie. Na jarenlange focus op vredesmissies, zijn we ons er nu ten volle van bewust dat we (ook) als Nederland weer gereed moeten zijn voor Large Scale Combat Operations en dat vraagt veel van het operationele gezondheidszorgsysteem van Defensie.
Hoe gaan we na jarenlange bezuinigingen onszelf weer inzetbaar maken voor de Medical Support van Large Scale Combat Operations?
Wat betekent dit voor de gereedstelling? En welke lessen zijn er te leren vanuit o.a. het conflict in Oekraïne?
Welke link valt hier te maken met de NVMKA?
Tamara Hoogezand-Walraven
Luitenant-kolonel
In deze voordracht bespreekt Thomas Maal de inzet van 3D-technologie bij de behandeling van Oekraïense patiënten met complexe extremiteitenletsels in het Radboudumc. Het 3D Lab is inmiddels volledig geïntegreerd binnen het Limb Reconstruction Team, waar digitale 3D-planning, 3D-geprinte spalken en patiëntspecifieke protheses bijdragen aan een optimale behandeling van deze complexe patiënten.
Daarnaast gaat hij in op de internationale samenwerking met het Superhumans Center in Oekraïne, opgezet via een RVO-subsidie vanuit de stichting NL4Ukraine. Tijdens zijn bezoek in augustus vorig jaar stond naast patiëntenzorg vooral duurzame kennisoverdracht en implementatie van 3D-oplossingen in de lokale zorgstructuur centraal.
Tot slot belicht hij de nauwe samenwerking met Defensie. Samen met Kol. dr. Stirler leidt hij het MAINIAC-project (Military AI and Innovations in Acute Care), waarin militaire en civiele expertise worden verbonden om innovaties op het gebied van acute zorg, AI en 3D-technologie versneld te ontwikkelen en toe te passen.
Thomas Maal
Hoofd Radboudumc 3D Lab
B. SINGH, A. VISSINK & J. SCHORTINGHUIS
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Treant Scheper Ziekenhuis, Emmen
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Universitair Medisch Centrum Groningen, Groningen
Introductie
Migraine wordt primair als neurovasculaire aandoening geduid, maar de rol van het kauwstelsel blijft vaak onderbelicht. Er zijn echter sterke aanwijzingen voor een verband met musculaire factoren en bruxisme (1-3). Wij onderzochten of migrainepatiënten een verhoogde kauw- en nekspiersensitiviteit en vaker klinische indicatoren voor bruxisme vertonen dan hoofdpijnvrije controles.
Materiaal en methoden
Bij 73 migrainepatiënten en 35 controles werd de spiersensitiviteit gemeten via algometrische drukpijndrempels (Pain Pressure Threshold: PPT), palpatie en visuele inspectie. Tevens werd binnen de migrainegroep de samenhang tussen zelf-gerapporteerde bruxismeklachten en de fysieke metingen gecorreleerd.
Resultaten
De migrainegroep toonde significant lagere PPT-waarden en meer palpatiegevoeligheid van de kauwmusculatuur (alle p < .001). Ook tekenen van bruxisme, waaronder slijtfacetten (88,4% versus 41,2%; p < .001) en masseterhypertrofie (65,8% versus 37,1%; p = .005) werden vaker geconstateerd. Binnen de migrainegroep bestond tevens een correlatie tussen gerapporteerde symptomen passend bij bruxisme en de pijnmetingen (alle p ≤ .05).
Conclusie
Migrainepatiënten tonen een significant verhoogde gevoeligheid van de kauwmusculatuur. Hoewel dit verband geen causaliteit bewijst, ondersteunt het de hypothese dat het kauwstelsel mogelijk een relevante rol speelt in de pathofysiologie van migraine. Dit rechtvaardigt een verhoogde aandacht voor de kauwmusculatuur, zowel in de klinische evaluatie als voor toekomstig onderzoek naar migraine.
Referenties
B.D.H. SNIJDERS1, M. CONTINI1 , A. VISSINK2, J. SCHORTINGHUIS1,2
1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Hoofdpijnklinieken, Emmen
2 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Universitair Medisch Centrum Groningen, Groningen
Introductie en doelstelling
Botulinetoxine wordt binnen de MKA-chirurgie toegepast bij tendomyogene pijn van onder andere de kauwmusculatuur. In onze klinische praktijk identificeerden wij een subgroep patiënten met clusterhoofdpijn en tevens tendomyalgie van de kauw- en nekmusculatuur. Doel van deze studie was te onderzoeken of behandeling van deze musculatuur met botulinetoxine een effect zou hebben op de mate van clusterhoofdpijn.
Materiaal en methoden
Retrospectief werden 10 patiënten met door de neuroloog gediagnosticeerde clusterhoofdpijn geïncludeerd. Alle patiënten hadden tendomyalgie van de kauwmusculatuur. Behandeling vond plaats volgens een gestandaardiseerd botulinetoxineprotocol met injecties in kauw-, aangezichts- en nekmusculatuur. Uitkomstmaten waren de Cluster Headache Questionnaire (CHQ) als maat voor kwaliteit van leven, hoofdpijndagen per week, aanvalsfrequentie, zelf gerapporteerd effect en medicatiegebruik.
Resultaten
Na gemiddeld 5,6 behandelsessies daalde het aantal hoofdpijndagen van 5,1 naar 1,8 per week (p=0,004) en de aanvalsfrequentie van 2,9 naar 1,3 per dag (p=0,015). De kwaliteit van leven nam toe (CHQ-score verbeterde van 2,8 naar 7,4; p=0,001). Na behandeling rapporteerde 8/10 patiënten minder aanvallen en 9/10 patiënten een verbetering van het dagelijks functioneren. Het gebruik van medicatie (zuurstof, triptanen, antihypertensiva) nam af.
Conclusie
Botulinetoxinebehandeling was geassocieerd met verbetering van kwaliteit van leven en verminderde aanvalslast. De combinatie van clusterhoofdpijn en palpatiegevoelige kauwmusculatuur ondersteunt de hypothese dat perifere musculaire hypertonie bij een subgroep een modulerende rol kan spelen.
C.C. WILLEMSE1, N.G. JANSSEN1, M. NIENHUIJS2, J.W. NOLTE3, M. GILIJAMSE3, J.M. ALBERGA4, MATTHEWS-BRZOZOWSKI5, J.E. BERGSMA1
Introductie en doelstelling
Het doel van dit onderzoek is te bepalen of bifasisch calciumfosfaat, een botvervangend materiaal, superieure klinische en radiologische uitkomsten oplevert in vergelijking met autoloog kinbot bij de unilaterale gnathoschisissluiting.
Materiaal en methoden
In vier Nederlandse schisisteams werd een multicenter stepped‑wedge cluster gerandomiseerde trial uitgevoerd. Elk centrum startte met de standaardbehandeling (autoloog kinbot) en schakelde volgens een vooraf vastgesteld schema over op een bifasisch calciumfosfaat putty. Kinderen van 8–12 jaar met een unilaterale gnathoschisis die in aanmerking kwamen voor vroeg secundaire gnathoschisissluiting werden geïncludeerd (n = 86). Primaire uitkomstmaten waren: residuaal gecalcificeerd volume één jaar postoperatief, aanwezigheid van een oronasale fistel en continuïteit van de processus alveolaris maxillaris. Secundaire uitkomsten waren spontane eruptie van de cuspidaat en postoperatieve pijnscores. Statistische analyse werd uitgevoerd volgens het intention‑to‑treat-principe.
Resultaten
In totaal ontvingen 34 patiënten autoloog kinbot en 52 patiënten calciumfosfaat bij de gnathoschisissluiting. Het gemiddelde percentage residuaal gecalcificeerd volume na één jaar was significant hoger in de calciumfosfaatgroep (78.5%) dan in de autologe kinbot-groep (58.4%) (p < 0,001). Er werden geen significante verschillen gevonden in aanwezigheid van een oronasale fistel, continuïteit van de processus alveolaris maxillare, eruptie van de cuspidaat of postoperatieve pijnscores.
Conclusie
Eén jaar na de gnathoschisissluiting resulteerde de bifasisch calciumfosfaat botvervanger in een significant groter volume residuaal gecalcificeerd weefsel dan autoloog kinbot, terwijl er geen verschillen in overige klinische uitkomsten werden vastgesteld.
Subsidie
BOOA GRANT NVMKA 2020.
K.A. SMIT, A. VISSINK, G.M. RAGHOEBAR
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Universitair Medisch Centrum Groningen, Groningen
Een 37-jarige patiënte presenteerde zich met persisterende pijnklachten na het plaatsen van implantaten in de interforaminale regio van de onderkaak. Op beeldvorming bleek de apex van de implantaten dicht bij de canalis incisivus mandibulae te staan hetgeen de oorzaak kon zijn voor de opgetreden neuropathische pijn. Het geven van proefanesthesie leidde tot het volledig verdwijnen van de pijn en werd besloten om de implantaten te verwijderen. Daarna rapporteerde zij geen pijn meer. Na een pijnvrije periode van drie maanden werd beoordeeld of het opnieuw implanteren in deze regio mogelijk was. Dit bleek goed mogelijk. Twee nieuwe implantaten werden geplaatst. De patiënte bleef pijnvrij. Een nieuwe overkappingsprothese werd geplaatst. De patiënt functioneerde goed met de overkappingsprothese.
Wanneer er een vermoeden is op (chronische) neuropathische pijn is gedeelde besluitvorming met patiënt essentieel om verwachtingen van de gekozen strategie en uitkomsten te managen. Een vroege herkenning van de neuropathische kenmerken is essentieel om chroniciteit te voorkomen. Dit casereport biedt handvatten voor de diagnostiek en behandeling van neuropathische pijnklachten als complicatie na implantaatplaatsing in de interforaminale regio van de onderkaak.
L. MIDDELKOOP1, R. HELMERS1,2, L. DUBOIS1
1 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Amsterdam UMC, Amsterdam
2 Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Noordwest Ziekenhuisgroep, Alkmaar
Introductie en doelstelling
Tandheelkundige spoed in ANW-uren vraagt om snelle bereikbaarheid, adequate informatie en consistente triage[1,2]. Dit onderzoek evalueerde de toegankelijkheid en kwaliteit van telefonische triage voor tandheelkundige spoedzorg buiten kantooruren in Nederland.
Materiaal en methoden
In deze landelijke simulated-patient studie werden 330 tandartspraktijken (9% van Nederland) benaderd in avond- en nachturen met vijf spoedscenario’s: avulsie, luxatie, nabloeding, abces en pijn. Beoordeeld werden website/voicemailinformatie, responstijd, triage-inhoud, tandartsbetrokkenheid en advies. Analyses omvatten beschrijvende statistiek, χ²-toetsen en niet-parametrische toetsen (p<0,05).
Resultaten
Spoedinformatie was meestal beschikbaar, maar niet uniform: 87% voldeed aan website én voicemail, terwijl in 13% informatie onvolledig of slechts via één kanaal beschikbaar was. Klachtgerichte instructies ontbraken in 92%. De gemiddelde responstijd bedroeg 2,1 minuten; 5% wachtte langer dan 10 minuten en in 2% bleef beantwoording uit. De triage duurde ’s nachts langer, vooral bij trauma, mede door extra schakels en fotoverzoeken. Kernvragen werden bij avulsie vrijwel altijd gesteld (96–100%), maar bij pijn minder vaak, vooral ’s nachts( 63-11%). Veiligheidsvragen bij abces en nabloeding werden ’s nachts juist vaker uitgevraagd (65% versus 89%).
Conclusie
Telefonische triage voor tandheelkundige spoed in ANW-uren is niet uniform georganiseerd. Uniforme spoedinformatie en gestandaardiseerde, klachtgerichte kernvragen zijn nodig om toegankelijkheid, consistentie en patiëntveiligheid te verbeteren.
Literatuur
This lecture will cover the use of free tissue transfer in the challenging neck post surgery or chemoradiotherapy and offer solutions to difficult situations.
Sat Parmar
Oral and Maxillofacial/Head and Neck/Reconstructive Surgeon, Queen Elizabeth Hospital Birmingham
N. CHARGI
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Radboudumc, Nijmegen
Schot-, explosie- en fragmentatieletsels van het aangezicht hebben grote gevolgen voor luchtweg, botcontinuïteit, weke delen, functie en herkenbaarheid. Hoewel we er als MKA-chirurgen in Nederland in de dagelijkse praktijk niet frequent mee worden geconfronteerd, vraagt een veranderde wereld om goede voorbereiding op deze letsels. Deze MKA-talk is gebaseerd op een lopende systematische review naar schot-, explosie- en fragmentatieletsels in het maxillofaciale gebied. In de beschikbare literatuur keren dezelfde beslismomenten steeds terug: wanneer volstaat damage control, wanneer is definitieve reconstructie verantwoord, wanneer kies je voor interne of externe stabilisatie, en wanneer is gevasculariseerde reconstructie nodig? Mijn centrale idee is dat voorbereiding niet begint op het moment dat wij als MKA-chirurgen met deze letsels worden geconfronteerd, maar veel eerder: in hoe wij leren denken, prioriteren en beslissen, mede op basis van ervaringen uit oorlogen uit verleden en heden. De echte uitdaging ligt niet alleen in reconstructie, maar in voorbereid zijn op letsels die niet alledaags zijn, maar alles veranderen.
H.N. SCHUTTE, M.S.M. MURADIN, K. SEUBRING, R. LAW BLEYS, F.A. PAMEIJER, A.J.W.P. ROSENBERG
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Universitair Medisch Centrum Utrecht, Utrecht
Introductie en doelstelling
Een verminderde vermogen tot glimlachen wordt beschreven als een ongewenst neveneffect na een Le Fort I osteotomie 1. De veranderingen in anatomie van mimische spieren worden verondersteld een rol te spelen, maar het exacte mechanisme van de veranderde gezichtsdynamiek is onvoldoende onderzocht 2. Onderzoek doen naar de mimische spieren is tot op heden niet gestandaardiseerd, en er is beperkte kennis over de (radiologische) anatomie 3 . Het doel van deze studie is het opdoen van anatomische en radiologische kennis van periorale mimische spieren en het vergelijken van de afbeelding van deze spieren op 7 Tesla (7T) versus 3 Tesla (3T) MRI-scans.
Materiaal en methoden
Elf periorale mimische spieren werden onderzocht in kadaverhoofd. Zowel 3T als 7T MRI-scans werden verricht. Hetzelfde hoofd werd vervolgens axiaal gesneden met een cryomacrotoom, waarbij iedere tweede coupe digitaal werd gefotografeerd. Met behulp van EMAC-software werd een driedimensionaal model gereconstrueerd dat als referentiemateriaal diende voor identificatie van de geselecteerde spieren op beide MRI-scans.
Resultaten
Alle vooraf geselecteerde periorale mimische spieren konden worden geïdentificeerd en een gedetailleerde radiologische atlas werd opgesteld. De herkenbaarheid en onderlinge differentiatie van de spieren waren significant beter op de 7T MRI-scans vergeleken met de 3T MRI-scans (P < 0,001).
Conclusie
7 Tesla MRI biedt een duidelijke verbetering in de identificatie van periorale mimische spieren ten opzichte van 3 Tesla MRI.
Literatuur
Subsidieverstrekkers
Geen.
S.J.B.SURQUIN, M.M.SUHR, E.R.C. HAGENS, G.K.P. BITTERMAN, L.A.A.VAASSEN, P.A.W.H.KESSLER
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Maastricht Universitair Medisch Centrum+, Maastricht
Inleiding
Oraal plaveiselcelcarcinoom (OPCC) is een veelvoorkomende maligniteit binnen het hoofd-halsgebied en gaat gepaard met aanzienlijke morbiditeit en mortaliteit. Ondanks verbetering in chirurgische technieken blijft het risico op locoregionaal recidief hoog.
Indien botinvasie histopathologisch is aangetoond wordt PORT vaak aanbevolen ondanks dat de onafhankelijk noodzaak onvoldoende is aangetoond. Inzicht in de prognostische waarde van PORT binnen deze subgroep is klinisch relevant om behandelingen te personaliseren en bijkomende toxiciteit te verlagen.
Materiaal en methoden
In deze retrospectieve cohortstudie werden alle chirurgisch curatief behandelde OPCC patiënten in het Maastricht UMC+ Comprehensive Cancer Centre tussen 2012 en 2022 met histopathologisch bewezen botinvasie geïncludeerd. Overlevingsuitkomsten van patiënten behandeld met chirurgie alleen werden vergeleken met die van patiënten die aanvullende PORT ontvingen. De primaire uitkomstmaten waren algehele overleving (overall survival, OS) en ziektevrije overleving (disease-free survival, DFS) na drie en vijf jaar. Analyses werden uitgevoerd met Kaplan–Meier-methoden en Cox proportionele hazard-regressie.
Resultaten
In ongecorrigeerde analyses werden geen statistisch significante verschillen gevonden in OS en DFS na drie of vijf jaar (alle p>0.05). Extranodale extensie (ENE) werd geïdentificeerd als belangrijkste confounder. Na correctie voor ENE was PORT geassocieerd met een verbeterde vijfjaars OS (hazardratio 3.0; 95% betrouwbaarheidsinterval 1.03–8.93; p = 0.045). Bij ziektevrije overleving en driejaars algehele overleving was na correctie geen significantie zichtbaar.
Conclusie
In dit cohort van OPCC patiënten met botinvasie was PORT geassocieerd met een verbeterde vijfjaars algehele overleving na correctie voor extranodale extensie, zonder effect op ziektevrije overleving. Deze bevindingen ondersteunen de noodzaak van een geïndividualiseerde benadering van adjuvante behandeling.
T.R. VAN VELZEN, W.H. SCHREUDER, J. HOGERVORST, T. SCHOENMAKERS, T.J. DE VRIES, J. DE LANGE
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Amsterdam Universitair Medisch Centrum, Amsterdam
Introductie
De huidige medicamenteuze behandelingen voor reuscellaesies van de kaak, zoals calcitonine en denosumab, richten zich met name op het remmen van de osteoclastogenese. Echter, behalve osteoclasten bestaat een reuscellaesie ook voor een belangrijk deel uit fibroblasten1. Wat is de rol van deze fibroblasten in het ontstaan van een reuscellaesie? En zouden nieuwe medicamenteuze therapieën, gericht op fibroblasten, een rol kunnen gaan spelen in de behandeling van deze ziekte?
Doelstelling
De biologische karakteristieken en potentie voor het stimuleren van reuscelvorming van fibroblasten afkomstig uit reuscellaesies onderzoeken.
Materiaal en methode
Vanuit weefsel van 8 histopathologisch bewezen reuscellaesies zijn fibroblasten geïsoleerd. Aan deze cellen zijn osteoclast voorlopercellen toegevoegd. Vervolgens is de formatie van osteoclasten en reuscellen beoordeeld door het bepalen van TRAcP activiteit, aanwezigheid van alkalische fosfatase, alirazine rood kleuring, aantal meerkernige cellen en een qPCR. In de controlegroep betreft het fibroblasten die geïsoleerd zijn vanuit verwijderde derde molaren van gezonde personen2.
Resultaten
Na 14 en 21 dagen vormen significant meer meerkernige cellen in de experimentele groep t.o.v. de controlegroep (op 21 dagen gemiddeld 18 vs 2. p<0,05) en de meerkernige cellen hebben gemiddeld een hoger aantal kernen in de experimentele groep. Er zijn geen verschillen gevonden in TRAcP, en Alirazine rood kleuring. De uitkomsten van de PCR vereisen nadere toelichting.
Conclusie
Deze studie laat zien dat fibroblasten vanuit reuscellaesies in staat zijn om de vorming van osteoclasten en reuscellen vanuit osteoclast voorlopercellen te bevorderen. De huidige bevindingen zouden een begin kunnen zijn voor het ontwikkelen van nieuwe medicamenteuze therapieën gericht op fibroblasten in plaats van osteoclasten.
Literatuur
M.T. TILKEMA, J.G.A.M. DE VISSCHER, E.H. VAN DER MEIJ
Narrative review
Afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie, Frisius MC Leeuwarden
Introductie en doelstelling
Systemische vasculitis komt wereldwijd voor als een zeldzaam ziektebeeld. De overkoepelende term vasculitis verwijst naar een groep aandoeningen die worden gekarakteriseerd door ontsteking van bloedvaten van uiteenlopende grootte en lokalisatie. De ontsteking kan leiden tot structurele schade van aangedane vaten, hetgeen ischemische orgaanschade kan veroorzaken in gebieden die door deze vaten worden voorzien van bloed.
Hoewel de verschillende vasculitiden wereldwijd voorkomen, is er een verschil in incidentie en prevalentie tussen de continenten. In de afgelopen decennia is door verbeterde onderzoekstechnieken en kennis over de ziektebeelden wereldwijd meer data vergaard over pathofysiologie, klinische symptomen en behandeling.
Om duidelijkheid en uniformiteit te creëren in terminologie van systemische vasculitiden, werd in 1994 de eerste International Chapel Hill Consensus Conference on the Nomenclature of Systemic Vasculitides (CHCC1994) georganiseerd. Dit werd herzien in 2012 (CHCC2012) naar aanleiding van toegenomen inzichten en kennis van de pathogenese en klinische kenmerken. Dit betrof het aanpassen van nomenclatuur, namen en definities en het toevoegen van categorieën. Hoewel toegenomen kennis heeft geleid tot een snellere diagnosestelling, bestaat er in veel gevallen een vroege ziektefase waarin diagnostische methoden nog onvoldoende sensitief zijn, terwijl orale symptomen reeds aanwezig zijn. Dit benadrukt het belang van vroege herkenning door mondzorgverleners en een multidisciplinaire benadering voor diagnostiek en behandeling.
De voordracht biedt een beknopt, klinisch georiënteerd overzicht, met illustratief beeldmateriaal, van de belangrijkste inzichten binnen dit onderwerp.
The UK has very few facial gunshot injuries but during the Afghanistan and Iraq wars, all British soldiers were transferred to the University Hospital Birmingham. This meant there was a very rapid learning curve in the treatment of the British soldiers.
The lecture will go through our treatment of their facial injuries in this extremely motivated group of patients.
Sat Parmar
Oral and Maxillofacial/Head and Neck/Reconstructive Surgeon, Queen Elizabeth Hospital Birmingham